We zijn allemaal kinderen van Apate

Het is gebeurd. Het boerenjaar 2020 wankelt naar zijn einde met enkele spoortjes hoop die gloeien aan de horizon. Er is zicht op een vaccin. Dat zal ervoor zorgen dat het vermaledijde coronavirus binnenkort niet meer dan een onaangename rimpeling zal geweest zijn. En met Biden in het Witte Huis lonkt de terugkeer van het goede oude fatsoen.

Het ‘post-post-truth-tijdperk’ dient zich aan. Hoog tijd voor toeters en bellen en wie weet, een streepje vuurwerk in de lucht. Le nouveau normal est arrivé.

De leugen is nooit weggeweest

Onzin natuurlijk, want de leugen is nooit weg geweest. En een stuitend gebrek aan moreel normbesef bij machtige en prominente figuren evenmin. Wie Thucydides leest, leert dat de Atheense democratie uit de vijfde eeuw voor Christus ook al te kampen had met gewetenloze en populistische op macht beluste politici voor wie geen enkele leugen te gortig was.

Wie een duik neemt in afgelopen eeuw, valt van de ene ontnuchtering in de andere. Amerikaanse presidenten die de geschiedenis ingingen als bakens van democratische verlichting, bleken schaamteloze rokkenjagers achter de schermen. Inspirerende verzetshelden hebben dan weer de handen meer dan eens vuil gemaakt voor de goede zaak.

Prometheus

Het leuke aan geschiedenis bestuderen is het besef dat elke ogenschijnlijk nieuwe stap ooit al eens gezet werd. De mens evolueert op sociocultureel vlak meer met vallen dan met opstaan; een thema dat breed in de verf gezet wordt in de Griekse mythologie. Niets universeler dan de falende mens die speelbal is van omstandigheden die hij niet naar zijn hand kan zetten.

Neem nu Prometheus, beschermer van de mens in zovele opzichten. Hij bracht de mens het vuur, omdat hij niet langer kon aanzien hoe die aan lijden en koude onderworpen was. Voor dat mededogen werd hij genadeloos gestraft. Geketend aan een berg pikte een arend elke dag zijn lever uit, duizend jaar aan een stuk. Van een werkstraf gesproken.

Straf der mensen: de vrouw

De broer van Prometheus was de prins Laurent van de familie: eerst doen en daarna denken. Een ideale figuur om de mensheid mee te straffen. De goden stuurden een zelfgemaakte, bloedmooie dame op hem af met wie Epimetheus, zonder acht te slaan op de waarschuwingen van zijn veel wijzere broer, direct trouwde.

Tot hiertoe lijkt alles koek en ei, maar de dame in kwestie had een geschenk gekregen van iedere god en godin – vandaar haar naam Pandora, maar dat wist u misschien al – dat ze onder geen beding mocht openmaken. U raadt het al. Zij opende haar doos en alle kwalijke giften van de goden namen bezit van de wereld. Dood, lijden en verdriet, maar ook de leugen, de lelijkheid en het ongeluk.

Apate, godin van de leugen

Wie zich stoort aan de misogynie waaraan die oude knarren van Grieken zich consequent overgaven, heeft gelijk. Zo ook Alicja Gescinska, een dame van bij ons met Poolse wortels die in het stoffige wereldje van Vlaamse filosofen niet alleen een frisse verschijning vormt maar er ook in slaagt haar filosofische waar aan de man (excusez le mot) te brengen.

Haar jongste pennenvrucht, Kinderen van Apate, start met het beeld van de doos van Pandora en zoomt daarna in op het concept van ‘liegen,’ of ‘Apate’ in het Grieks. Voor de nostalgici die ooit Grieks gevolgd hebben: denk aan het contracte werkwoord ‘ἀπατᾶν.’

Gescinska leidt haar boek in met de ronkende titel Tijdperk van Apate. In heldere bewoordingen schetst ze een beeld van waarheidsontwaarding, de rol van het postmodernisme en de manier waarop expertise van haar voetstuk gedonderd is. ‘Als de slinger van vereenvoudiging en overdrijving doorslaat, komt waarheid geheel in de verdrukking, en kan de leugen regeren.’ Gelijk heeft ze.

Coherent én leesbaar

Deel twee van het boek is dan ook volledig in lijn met het eerste. De leugen wordt als het ware gedissecteerd tot slechts een beschrijving met vijf kenmerken overblijft. Gescinska neemt de lezer bij de hand als een volleerd leerkracht. Zelden zal u zo’n coherent, nauwkeurig én leesbaar stukje filosofie gelezen hebben.

‘Zo komen we tot de volgende beschrijving van de leugen, met vijf kenmerken. De leugen is herkenbaar aan (1) de intentie om te misleiden of te manipuleren middels (2) een (niet-noodzakelijk talige) bewering waarvan men (3) gelooft dat zij onwaar is. De misleiding kan (4) jezelf of anderen betreffen en de bewering die gebruikt wordt, kan (5) verschillende morele statussen hebben: neutraal, immoreel of moreel verantwoord.’

Wie na het lezen van deze definitie nog durft beweren dat filosoferen gelijk staat aan wollig discussiëren zonder veel concreet resultaat, heeft het niet goed begrepen.

Vervolg als leeglopende ballon

Des te jammerder dat het vervolg van Gescinska’s betoog aanvoelt als een leeglopende ballon. Wanneer ze het heeft over waarachtigheid en authenticiteit lijkt het net alsof de auteur verandert in een al eeuwen gepensioneerd grootmoedertje dat met belerend vingertje zegt wat goed is en wat fout. Een jonge variant van Mia Doornaert, zeg maar. De frase, ‘Jammerlijk, want alles wat tot modewoord verwordt, is onderhevig aan een commercieel proces van vervlakking en commodificatie,’ mag bijvoorbeeld zo op sterk water gezet worden.

Maar onze filosofe komt werkelijk op glad ijs terecht wanneer ze durft beweren dat er een belangrijke relatie is tussen authenticiteit en esthetische waarden. Volgens haar kan grote kunst enkel geschapen worden mits artistieke waarachtigheid. Kuch. Bijna alle grote kunst en literatuur uit de eerste eeuw na Christus werden geconcipieerd in opdracht van de Romeinse keizer en zijn administratie. Geen waarachtigheid, wel propaganda, en toch de grote inspiratiebron van de Renaissance.

Gewone man vaak wijzer dan een kokette filosofe

Helemaal te gek voor woorden wordt het wanneer Gescinska authenticiteit koppelt aan kritische zelfreflectie. Socrates had gelijk wanneer hij stelde dat het niet-onderzochte leven het niet verdient geleefd te worden. Maar hij beschouwde een onderzocht leven voor geen meter als een voorrecht van diegene die zijn of haar bestaan kan vullen met contemplatie en reflectie.

Wie dus durft schrijven dat voor ‘wie hele dagen op het land moet ploegen en door het leven moet ploeteren, het onderzochte leven een luxe is die niet te betalen valt,’ gaat voorbij aan hele hordes academici en andere titeldragers die zich regelmatig laten betrappen op flagrant dwaze uitspraken. Wie heel zijn of haar leven geploeterd heeft en de klappen van de zweep ondervonden heeft, valt vaak wijzer te noemen dan een kokette filosofe die op een kieslijst gestaan heeft.

Wat me naadloos bij het besluit van deze tekst brengt. Pandora klapte de doos na het openen direct weer dicht. Daardoor is één zaak niet ontsnapt: de hoop. Misschien een goed thema voor een volgend boek, mevrouw Gescinska?

Deel dit met je vrienden: