Waarom de neoliberalen en niet de ‘populisten’ de vijand zijn

“Dit boek begon als een politieke brandbrief.”  De politiek filosoof, hoogleraar aan de UvA en columnist Ewald Engelen wilde zijn landgenoten in een kort en krachtig essay ertoe aanzetten, tijdens de verkiezingen op 17 maart 2021 vooral niet nog maar eens op de partij van premier Rutte te stemmen. Zeven maanden later was het schotschrift uitgegroeid tot een gedetailleerde en erudiete ontmaskering van het neoliberalisme, waarvan Rutte uiteraard een populair boegbeeld is.

Erudiet: wanneer je het aantal boeken en artikels die in dit boek verwerkt zijn ruwweg samentelt kom je gauw aan meer dan 12.000 pagina’s. En hoewel de inhoud hoofdzakelijk gefocust bleef op de toestand in Nederland, werd dit essay een aanklacht tegen het internationale neoliberale bestel en daarom ook relevant voor niet-Nederlandse lezers.

Afwijkend stemgedrag

De auteur tracht op de eerste plaats uit te leggen, waaruit dat neoliberalisme bestaat en hoe het de dominante ideologie van de huidige westerse wereld geworden is. Maar ook waarom mensen die er alleen maar de nadelen van kunnen ondergaan braafjes voor dit neoliberale bestel blijven stemmen.  Slechts aan de uiterst linkse en uiterst rechtse marge wijkt het stemgedrag van de bevolking daarvan af.

Dat is des te merkwaardiger, omdat heel wat gezaghebbende economen en politici, tot zelfs leden van bijvoorbeeld het IMF, toegeven hebben dat het neoliberalisme miserabel gefaald heeft sinds en doorheen de verschillende politieke, economische, sociale, financiële, klimaat- en gezondheidscrisissen sinds 2001 (9/11). ‘De neoliberale orde staat op instorten, bezweken onder haar eigen mislukkingen. De haarscheurtjes van 2008 zijn uitgegroeid tot flinke barsten en breuken.  Zelfs de technocraten weten het.’

Engelen wijt dit aan de enge technocratische visie op de economie. Die kan of wil niet echt rekening houden met de sociale en ecologische gevolgen van het beleid. Dat pakt elke crisis aan om de democratische besluitvorming, zeg maar de inspraak van de gewone burgers, bijvoorbeeld maar niet uitsluitend via het parlement, uit te hollen.  Maar ook aan de zogenaamde ‘mainstream’ media, het werk van journalisten die qua opleiding, netwerking en mentaliteit in feite tot dezelfde elite behoren als de beleidsvoerders.

Ze begrijpen elkaar

Leidende politici en journalisten begrijpen elkaar, hebben elkaar nodig en hebben daar ook veel voor over.  Bijvoorbeeld het indammen van hun rol als kritische bewakers van de democratie, in ruil voor de zo belangrijke en carrière bevorderende scoops.

Omdat ze zo hecht met elkaar vervlochten zijn kijken deze ‘brahmanen’ (de term is van Thomas Piketty), of ze nu links zijn of tot het centrum behoren, neer op de meestal lager opgeleide ‘populisten’.  Het gaat hier om een culturele kloof tussen de elite en het gros van de bevolking.  De elite is tolerant, internationaal, voor het milieu, de rechten van de verschillende genders en de migranten en voelt zich op al deze terreinen bedreigd door de chauvinistische, intolerante, plat materialistische en zelfs racistische populistische meerderheid.

Links, dat normaal aan de zijde van de gewone vrouwen en mannen moet staan, is uit het oog verloren dat deze politiek incorrecte massa in feite zijn enige authentieke bondgenoot is.  Maar omdat het bewustzijn daarvan bijna verdwenen is, zijn deze linkse intellectuelen altijd maar meer aan de kant van de echte uitbuiters gaan staan.

Het is klasse, suffie, niet identiteit

De titel van dit boek van Engelen uit 2018 vat het probleem krachtig samen: zonder dit klassenbewustzijn dreigt die hele culturele strijd, bijvoorbeeld rond de juiste omgang met het koloniale verleden, een tragikomedie te worden. Men werpt standbeelden omver en controleert, neen, censureert elkaars taalgebruik, maar laat de sociaaleconomische machten die voor die kolonisering verantwoordelijk waren ongemoeid.

En vergeet daarbij dat alleen een echte politieke coalitie met de mensen die nu populistisch stemmen de machtsverhoudingen zal kunnen veranderen.  Omdat die kloof altijd maar breder wordt, vreest hij het ergste: ‘En men kan erop vertrouwen dat wat Martin Luther King in de vroege jaren zestig voor elkaar probeerde te krijgen nooit zal lukken, namelijk het smeden van een brede coalitie van werkenden, die door muren van ras, gender, geloof en sekse heen breekt door te benadrukken wat zij delen en daar een politieke machine omheen te bouwen.

Wat zij delen is een gelijke behoefte aan toegang tot goed voedsel, gezonde lucht, natuur, goede huisvesting, goed onderwijs, prettig werk, een redelijk inkomen, goede gezondheidszorg, en een functionerende democratie met inspraak en medezeggenschap en een minimum aan politieke gelijkheid.’

Dat is, in grote lijnen, de kernboodschap van dit essay.  Omdat je in een recensie alleen maar die grote lijnen kan weergeven, in de hoop dat zoveel mogelijk lezers het hele boek zullen lezen, moet hier jammer genoeg de zorgvuldige argumentatie ontbreken, waarmee de auteur zijn stellingen onderbouwt.  Hier is gelukkig geen ‘linkse brahmaan’ aan het woord, maar eerder een ‘Dalit met een diploma’, om hem met een parafrase van een recente uitspraak van Slavoj Žižek (Pandemic! Covid-19 shakes the World, 2020) te karakteriseren.

Deel dit met je vrienden: