Satan is een blanke man

 ‘Wil u zich niet vergissen? Beschouw dan als fout alle ideeën die dierbaar zijn aan uw tijd’. (Flaubert)

Laat ik beginnen met een bekentenis. Ik heb me altijd beschouwd als iemand die progressief denkt. In het stemhokje ging mijn stem naar vooruitstrevende partijen. Ik stelde vrijheid, gelijkheid en rechtvaardigheid voorop, ook al besefte ik dat die waarden niet altijd te verzoenen zijn. Maar er komt een ogenblik in je leven dat je als het ware ingehaald wordt door de Zeitgeist. Je voelde je als een vis in het water en plots lig je op het droge. ‘La musique du temps change’, schrijft Céline ergens. Op een dag ben je ontheemd, ook in je eigen (ideologische) milieu.

Emancipatiestreven is uit de hand gelopen

Zoiets heb ik ervaren, net als vele progressieve generatiegenoten, enkele jaren geleden, bij de opkomst van wat politieke correctheid heet. Dat verlichtingsdenker Hume herleid wordt tot zijn racisme, dat Jef Geeraerts’ Gangreen uit de canon wordt gehaald om moralistische redenen, dat beelden van Columbus, Cervantes, Churchill, De Gaulle en vele anderen worden beklad of vernietigd, dat ook in Frankrijk Agatha Christie’s Dix petits nègres van titel is veranderd, het zijn maar enkele recente symptomen, naast vele anderen, van de neiging die altijd heeft bestaan aan de linkerzijde om de realiteit te plooien naar ideologische, in casu moralistische, maatstaven.

Het emancipatiestreven is uit de hand gelopen. Het feminisme, dat tot een ontegensprekelijke vooruitgang heeft geleid, is in zijn nieuwste verschijningsvorm ontaard tot een haatdragende ideologie die uit is op wraak. Het antiracisme, een elementaire humanistische houding, is gedegenereerd tot een raciaal denken dat ongenuanceerd uitgaat van de collectieve historische schuld van de blanke man. Het progressieve denken heeft – grof geschetst – altijd tussen twee extremen geslingerd, het libertaire en het stalinistische: het anarchisme van mei 68 tegenover de Goelag.

Ik heb de indruk dat we met de politieke correctheid van de laatste decennia de evolutie zien van het libertaire (en soms het onverantwoordelijke) naar het repressieve en politionele. Ook onder Stalin werd de geschiedenis herschreven, de taal gezuiverd en kunst aan banden gelegd in functie van moreel-politieke eisen.

Links of rechts?

Wie de Franse intellectuele scène een beetje volgt, kent ongetwijfeld essayist en romancier Pascal Bruckner. Van extreemlinkse standpunten in het begin van de jaren 1970, evolueerde hij, samen met filosofen als Bernard-Henry Lévy en André Glucksmann, naar een kritiek op het totalitarisme in zijn marxistische gedaante. Net als zijn kompaan Alain Finkielkraut, met wie hij zijn twee eerste boeken schreef, wordt hij vandaag geassocieerd met de rechterzijde. Hoewel hij zich in 2014 in een interview aan Le Monde nog altijd progressief noemt, ‘ondanks de grenzeloze domheid en het goede geweten die er aan die kant van het politieke spectrum heersen’.

Vermoedelijk was zijn links engagement ook de uiting van een Freudiaanse vadermoord, zoals blijkt uit zijn mooie autobiografische Un bon fils uit 2014. Zijn vader René was namelijk een overtuigd antisemiet en bewonderaar van nazi-Duitsland die van 1942 tot het einde van de oorlog vrijwillig ging werken in de Siemens-fabrieken van Berlijn en Wenen. Maar ook al blijft hij zich links noemen, toch stemde hij voor de rechtse kandidaat Nicolas Sarkozy in de Franse presidentsverkiezingen van 2007 en schreef hij een puntig essay tegen het ecologisme, Le fanatisme de l’Apocalypse, waarin hij wees op het religieuze onderbewuste van groene activisten. Maar hij vindt zich ondertussen te oud om van politieke familie te veranderen. Ook al voelt hij zich er niet meer thuis: ‘J’ai mal à ma gauche’, zo vat hij het samen.

Westers masochisme

In het vijftiental essays dat hij publiceerde sinds 1977 slaagde Bruckner er altijd in de ongerijmdheid van de tijdsgeest te vatten en haarscherp te analyseren. Voor zover ik heb kunnen nagaan bestaan er weinig vertalingen. Hierbij dan ook een warme oproep om al zijn teksten toegankelijk te maken voor een Nederlandstalig publiek. In zijn laatste essay Un coupable presque parfait haalt hij de politieke correctheid over de hekel. Het is niet de eerste keer dat hij dat doet. Zijn La tyrannie de la pénitence (2006) gaf af op wat hij het westers masochisme noemde, het feit dat de Europese verworvenheid van het kritisch denken verschraald is tot machteloze zelfbeschuldiging.

In Un racisme imaginaire (2017) maakte hij duidelijk hoe het begrip ‘islamofobie’ een wapen is in handen van wie kritisch denken over die godsdienst wil muilkorven. In zijn nieuwste essay neemt hij de verdediging op van wie hij de nieuwe zondebok van de progressieven noemt: de blanke man, doelwit van een coalitie van neo-feministen, antiracisten en ‘dekolonialen’. Indien het Bruckners bedoeling is met dit essay opnieuw in de gratie te komen van zijn politieke familie, lijkt de opzet op voorhand mislukt.

Links doet aan identiteitspolitiek

Het progressieve denken is een obscurantisme geworden. Traditioneel stond links voor een universeel mensbeeld, dat individuen niet herleidt tot hun afkomst. Rechts daarentegen zweerde bij nationale, culturele en eventueel biologische oorsprong. Maar vandaag zijn de rollen omgekeerd. Links doet aan identiteitspolitiek, vervangt klassenstrijd door rassenstrijd, terwijl rechts vrijheid en laïcisme verdedigt. Vanuit die ironische vaststelling vertrekt Bruckner, want hoe kun je als progressist de vooroordelen aanvaarden van neo-feministen en antiracisten?

De schuldige is bekend: de ‘mannelijke Satan’, in het bijzonder wanneer hij blank is. Eigenaardig genoeg is de aanval het hevigst in onze westerse democratieën, waar de rechten van vrouwen en minderheden het best gerespecteerd worden – alsof het bewustzijn van discriminaties groeit naarmate ze de facto afnemen. Maar als we neo-feministen en antiracisten mogen geloven, zou het racisme virulenter zijn dan ooit, het kolonialisme meer dan ooit aanwezig zijn (zij het in ons hoofd) en woedt de oorlog tussen de seksen heviger dan ooit. Als dat allemaal waar is, vraagt Bruckner zich af, waarom doen migranten dan zoveel moeite om een toevlucht te zoeken in die Europese hel?

De blanke man is het schuldigst

Met het historische feminisme, dat terecht een einde wilde maken aan ongelijkheid en aan de onderdanige positie van de vrouw, heeft de auteur geen probleem. Feminisme was een uiting van progressiviteit, maar vandaag is het feminisme de progrès vervangen door een féminisme de procès, want mannen zijn per definitie schuldig. Sommige neofeministen gaan ervan uit dat elke man een agressor is en elke seksuele daad een verkrachting.

Hij is daar biologisch toe veroordeeld door het feit dat hij een penis heeft. Maar als alle heteroseksualiteit verkrachting is, hol je het begrip uit – dan is niets nog verkrachting. Bovendien zijn niet alle mannen even schuldig, want in de geest van neo-feministen wijkt gender voor ras. De blanke man is het schuldigst; voor de gekleurde of zwarte zijn er verzachtende omstandigheden, zoals gebleken is in Keulen op oudejaar 2015.

Moet je slachtoffers altijd op hun woord geloven?

#MeToo is voor Bruckner een vooruitgang, maar ook daar is de terechte verontwaardiging ontspoord: het vermoeden van onschuld veranderde in een vermoeden van schuld. Het woord van het slachtoffer is heilig en er is een begripsverwarring ontstaan tussen recht en wraak. Bruckner durft de provocerende vraag stellen die ook ‘bad feminist’ (1) Margaret Atwood al stelde: moet je slachtoffers altijd op hun woord geloven? Wanneer de misdaden vaststaan, zoals in het geval van Jeffrey Epstein of Harvey Weinstein, moet het gerecht natuurlijk zijn gang gaan.

Maar wanneer dat niet geval is, zoals voor Woody Allen, dan getuigt het van fatsoen om alle partijen te horen en geen definitief oordeel te vellen. De boycot van de cineast is dan ook een schandaal. In maart 2020 besliste uitgeverij Grand Central Publishing zijn memoires niet uit te geven. Bij ons maakte Bart De Pauw iets gelijkaardigs mee: hij werd zonder enige vorm van proces gebroodroofd op basis van anonieme getuigenissen.

Polanski naar de gaskamer

Van die andere cineast, Roman Polanski, weten we dat hij daden heeft gesteld die verwerpelijk zijn. Daar is geen discussie over. De vraag is of we nog het recht hebben hem als een groot kunstenaar te beschouwen. Op 28 februari 2020 kreeg hij voor J’accuse, zijn sterke reconstructie van de Dreyfus-zaak, de ‘César’, de prijs voor beste film in Frankrijk. Feministen waren verbolgen, sommigen verlieten de zaal en anderen vonden het nodig te tweeten: ‘C’est Polanski qu’il faut gazer’. De verwijzing naar het lot van de Joden in de Tweede Wereldoorlog kon niet ontbreken: Auschwitz is dé referentie geworden van het slachtofferschap en iedereen die denkt slachtoffer te zijn poogt ze te recupereren.

Dat is weinig delicaat, om twee redenen: ten eerste verloor Polanksi zijn moeder in Auschwitz en ontsnapte hij zelf op het nippertje aan de genocide en ten tweede, als je een verkrachter op hetzelfde niveau zet als Adolf Hitler, banaliseer je de industriële massamoord waar Joden het slachtoffer van waren. Maar sommige radicale feministen schrikken niet terug voor het amalgaam, zoals Andrea Dworkin die ooit stelde dat ‘pornografie leidt tot genocide’…

Totalitaire passie

Het probleem van de politieke correctheid is dat alles beoordeeld wordt op basis van morele of moraliserende criteria. Dat leidt tot de fameuze cancel culture. Dan weiger je bijvoorbeeld Moby Dick te lezen omdat het dieronvriendelijk is, er geen enkel vrouwelijk personage in voorkomt en de meeste zwarte personages dood zijn vóór hoofdstuk 28. We mogen dus geen literatuur- of filmliefhebber meer zijn, maar enkel rechters die het kunstwerk exclusief beoordelen in functie van hedendaagse morele waarden. De grote cultuur moet worden gezuiverd.

Weg met Gauguin: hij was een seksueel delinquent, racist en kolonialist. Weg met Egon Schiele: de manier waarop hij vrouwen uitbeeldt getuigt van een arrogante male gazeOthello en Huckleberry Finn moeten worden herschreven. Herlees The Great Gatsby niet, want dat is een misogyne roman. Boycot het oeuvre van pedofiel André Gide en vrouwenliefhebber Victor Hugo. De tijden van Andrei Zjdanov zijn teruggekomen, schrijft Bruckner. Zjdanov was de medewerker van Stalin die de cultuurpolitiek uitdroeg en aan kunstenaars oplegde enkel werken te maken die de opbouw van het socialisme bezongen.

De marketing volgt

Natuurlijk – en gelukkig – wordt politieke correctheid niet opgelegd door de staat, zoals het geval was in de Sovjet-Unie. Toch lijkt er iets dwingends te zijn in de tijdsgeest: ‘La passion minoritaire est une passion totalitaire’, schrijft Bruckner gevat. Intellectuelen halen met plezier de bezem door het culturele patrimonium, zoals die kunsthistoricus van Yale University die in het begin van 2020 aankondigde kunst enkel nog te willen bestuderen in functie van de criteria van gender, ras en klasse.

Maar de marketing volgt. Vindt u het ook een grote vooruitgang dat Knorr zijn zigeunersaus heeft herdoopt? Dat het cosmeticamerk L’Oréal de termen blanc en blanchissant heeft verwijderd? Dat de zwarte figuur die de koper toelachte op Uncle Ben’s rijst gesneuveld is? Dat het Mexicaans figuurtje met sombrero op Pepito-koekjes onder vuur staat? Is de consument echt vragende partij voor zulke dwaze initiatieven?

Mea culpa

Mea culpa

Ten slotte richt Bruckner zijn pijlen op progressisten die ons ervan beschuldigen niet alleen racistisch, maar ook intrinsiek koloniaal te zijn – en dat zestig jaar na het einde van het Europees kolonialisme. De essayist wijst er fijntjes op dat van de 27 lidstaten van de Europese Unie er welgeteld acht een koloniaal verleden hebben en dat Europese landen zelf gekoloniseerd werden – door Arabieren, Russen, Ottomanen en sovjets. Hoe komt het dat enkel Europa op de beklaagdenbank zit?

Ja, Europese landen  hebben slaven verhandeld, maar dat gebeurde ook in de Arabische wereld tussen de 6de en  de 20ste eeuw. Waarom horen we daar zo weinig over? Bruckner verwijst naar onderzoek over Arabische slavenhandel dat weinig bekend is, zoals dat van de Senegalees Tidiane N’Diaye (Le génocide voilé, 2006) of van antropoloog Malek Chebel (L’esclavage en terre d’Islam, 2010).

Let wel, het is niet Bruckners bedoeling om de Europese kolonisatie of slavenhandel goed te praten, maar erop te wijzen dat één continent niet het monopolie heeft van een verleden van dwingelandij. Bovendien slaat het Westen voortdurend mea culpa, wat de Arabische wereld nooit doet.

Montesquieu

Europa is wellicht het enige continent dat erin geslaagd is afstand te nemen van een geschiedenis van onderdrukking, kolonisatie en genocide, door zichzelf in vraag te stellen: denk maar aan Bartolomé de las Casas en zijn Brevísima relación de la destrucción de las Indias uit 1552, denk aan Montesquieu die twee eeuwen later de slavenhandel hekelde in L’esprit des lois.

Hetzelfde kan niet worden gezegd over Turkije dat weigert de genocide op de Armeniërs te erkennen of zich te verontschuldigen voor de eeuwenlange bezetting van de Balkan. Het geldt voor Rusland dat nooit excuses heeft aangeboden aan de Oost-Europese satellietstaten. Voor China, dat nooit de bloedbaden van Mao heeft erkend. En de islam die niet gehinderd wordt door enig slecht geweten over haar bloeddorstige geschiedenis.

Onverschilligheid als utopie

Dit essay is verplichte lectuur voor wie zich ergert aan de uitwassen van de politieke correctheid. Bruckner geeft een fascinerende bloemlezing van bespottelijke uitspraken en initiatieven, zoals de militante van het antiracisme die aanklaagt dat pleisters beige zijn en niet zwart, de vereniging New Music USA die de klassieke muziek aanwrijft ‘intrinsiek racistisch’ te zijn of de eerbiedwaardige New York Times die sinds juni 2020 Black met een hoofdletter en white met een kleine letter schrijft, in een futiele poging om historisch onrecht typografisch goed te maken…

Waarom roept het Westen zoveel zelfdestructieve passie op? Waarom beschrijven intellectuelen sinds jaren de westerse samenleving als een summum van barbarij? Geen enkele beschaving kan overleven door zichzelf kwalijk te nemen dat ze bestaat. Het essay eindigt op een pessimistische noot: Bruckner heeft het over ‘de laatste etappe van de zelfvernietiging van Europa’.

Amerikaanse hegemonie

Hij vergelijkt de situatie niet met het einde van het Romeinse Rijk, maar wel met Byzantium, verscheurd door hermetische theologische debatten – net zoals intellectuelen vandaag bekvechten over beuzelarijen zoals ‘male gaze’, ‘black face’, ‘white privilege’ en ‘cultural appropriation’. Is het trouwens een toeval dat dit Engelse termen zijn? Bruckner laat niet na erop te wijzen dat politieke correctheid niet alleen een symptoom is van een ontspoorde progressiviteit, maar ook van de Amerikaanse hegemonie.

Toch biedt de essayist een perspectief, ‘een utopie die dienst doet als ethische horizon’. Hij pleit namelijk voor een vorm van onverschilligheid tegenover kleur, geslacht, godsdienst. Het is tijd dat we onze fascinatie voor identiteit laten varen en stoppen met het herkauwen van het onrecht uit het verleden. Want samenleven is maar mogelijk als je de andere ziet als een individu met eigenschappen en talenten, niet als iemand die tot een bepaalde categorie behoort. Black lives matter? Zeer zeker, maar Bruckner voegt eraan toe: All lives matter.

_____

(1) Zo noemde de auteur van A Handmaid’s Tale zichzelf ironisch in 2018 omdat ze kritiek heeft op #MeToo, dat ze beschouwt als ‘symptom of a broken legal system’.

Deel dit met je vrienden: