Proust, Beckett en Bart Stouten

Twee auteurs die niet weg te denken zijn uit de 20ste eeuw zijn Marcel Proust (1871-1922) en Samuel Beckett (1906-1989). Een Fransman en een Ier die Parijs als vertrek- en eindpunt van hun literaire leven hadden. Van Klara-producer Bart Stouten is geweten dat beide schrijvers hem na aan het hart liggen. Zo sterk dat hij er vroeg of laat een boek over zou schrijven. Dat is er nu en ei zo na is het een werk geworden dat vijf sterren verdient. Het enige manco aan het boek is de vertelstijl.

De stijl van de stem… 

… verschilt van de stem van de pen. Door de week presenteert Bart Stouten elke ochtend het radioprogramma ‘Klassiek leeft’. Met zin voor detail bindt hij muziekfragmenten aan elkaar en voegt er tussendoor een paar gedichten aan toe. Gedichten die aanleunen bij de muziek en de verklarende teksten. Soms valt het werk dat je bezig bent stil omdat de toelichting of het gedicht ten volle je aandacht opeist. Stouten heeft een ietwat slepende, gevoelsmatige stem. Daar moet de luisteraar aan wennen, maar eens zover, focust hij op de inhoud en minder op tempo en toon.

Eenzelfde tempo en toon vindt de lezer van Over Proust & Beckett, een confrontatie. Als boek hoort het thuis in de categorie ‘essay’, maar het is meer dan een beschouwend boek over leven en werk van beide heren. Het brengt Beckett en Proust met een liefdesverklaring nader tot elkaar. Dat wordt al geserveerd in de eerste zin: ‘Heb je dat ook, het gevoel nooit spijt te krijgen van wie je hebt bemind, hoe ongenadig ook de tijd is omgegaan met zijn of haar fysieke schoonheid, wanneer je het beminde wezen jaren later toevallig tegen het vertrouwde lijf loopt.’ Einde citaat.

Zulke zin doet het…

… om voorgelezen te worden. Een radiostem kan bij het spreken nuances aanbrengen, de lezer heeft alleen de kale tekst. Er zelf passende kleurschakeringen aan toevoegen mag niet van hem worden verwacht.
Maar ik begrijp Bart Stouten wel. Hij wil schriftelijk afdalen in het gemoed van de Ier en de Fransman. Een hulpmiddel is de stijl van die auteurs niet te imiteren maar ze te benaderen.

Met Proust is hij daar ten volle in geslaagd. De Fransman die Parijs zag als zijn Tuin van Eden, floreert in meanderende zinnen, soms beslaan ze een paar bladzijden. Ook Franse schrijvers als Victor Hugo en Emile Zola wisten zinnen te fabriceren waar geen eind aan kwam. Russische uitblinkers in dat genre waren Lev Tolstoj en Fjodor Dostojewski. De eerste van de grote Russische vertellers die lange zinnen overboord gooide en koos voor kort is Michail Boelgakov.

Tegengesteld aan de stijl van Proust…

… is die van Samuel Beckett. Laatstgenoemde was grootmeester in korte zinnen. Met het ouder worden, vermagerden ze zo erg dat er nauwelijks nog een woord op papier stond. Bij zijn toneelstukken werden tips voor de regisseur allengs langer dan de teksten voor de acteursrollen.

Vanwaar dus die passionele liefde van Bart Stouten voor zulke qua stijl verschillende auteurs? Het antwoord is te vinden in het boek. Conclusie na het bereiken van het point final en voor we een definitief oordeel uitspreken over de kwaliteit van Stoutens nieuwste literair werk: Marcel Proust is de man die de langzaam stervende decadentie tot kunst verheft, en Samuel Beckett, de man die een nieuwe stijl introduceerde, zonder die op te blinken tot kunstwerk.

Voor Bart Stouten geeft de ene al rennend het stokje door aan de andere, neemt de andere het lopend over van de ene. Ze samenvoegend zie je in hun literair werk dat Proust uitbolt in Le temps retrouvé, het laatste deel van À la recherche du temps perdu, en Samuel Beckett versnelt met En attendant Godot, het toneelstuk waarmee hij doorbreekt als schrijver. Niet alleen beroemd wordt, maar de lauwerkrans verovert als lid van de absurden.

Proust en Beckett…

… sluiten naadloos op elkaar aan. Dat is althans mijn mening na het lezen van Over Proust & Beckett, een confrontatie. Bart Stouten zegt het niet zo beknopt, maar tot die constatering moet de lezer komen. In het stervensjaar van Proust, 1922, was de hogere burgerij bezig het eigen stervensproces in een hogere versnelling te gooien. Met de komst van Beckett neemt de burgerij van de middenklasse langzaam de macht over, om die volledig te veroveren in de jaren zestig van de 20ste eeuw.

De auteur van het laatste kroonjuweel van die periode is Edward Albee met Who’s Afraid of Virginia Woolf (1963). Velen zien dit stuk als behorend tot het absurdisme, wegens een duidelijke invloed van Beckett. Wat fout is. De eerste stukken van Albee ruiken naar de Ierse schrijver, maar vanaf Who’s Afraid… slaat hij de weg in van het extreem realisme.

Het extreme in de liefde…

… van Stouten voor Beckett en Proust. Zoals gezegd is het boek van Bart Stouten niet alleen een essay maar ook een liefdesverklaring. Hij kan en wil dat niet wegmoffelen tussen de regels. Dat komt doordat de liefde voor Beckett en Proust een grondlaag heeft die ademt en straalt, namelijk Parijs. Al van bij het eerste bezoek in zijn kindertijd, was hij in de ban van de Franse hoofdstad. De stad vooral waarin de sporen van de Tweede Wereldoorlog weliswaar niet zijn uitgewist, maar waar de geest nog waait van de eerste helft van de 20ste eeuw, toen Parijs de wereldhoofdstad van de kunst was.

Dat Parijs is de gevoelsmatige heimat van Bart Stouten. Eenzelfde status had de stad aan de Seine voor Beckett en Proust. Marcel Proust zou zijn monumentale werk niet geschreven hebben als Parijs geen kunststad par excellence was. En Samuel Beckett vond in Parijs wat hij niet aantrof in Dublin. Beide steden hadden een bekakte burgerij, maar die van Parijs moest onderdoen voor de artistieke, en die van Dublin onderdrukte alle andere levenswijzen.

Beckett is Proust niet…

… schrijft Bart Stouten kort voor zijn pen leeg is. Maar al schreef de ene uitvoerig en de andere beknopt, beiden bekennen veel. ‘In een theaterwerk dat amper 35 seconden duurt,’ en ik citeer Bart Stouten, Breath, ‘laat Samuel Beckett de geboorteschreeuw van een baby horen in een rommelig decor dat het chaotische bestaan uitbeeldt, tot na een minimale pauze de laatste adem van de volwassen geworden mens hoorbaar is en het doek noodzakelijk moet vallen.’ Einde citaat.

Eenzelfde boodschap maar met een andere kleur zit in het werk van Marcel Proust: het leven is kort en de meeste mensen zijn parvenu’s.

Tot slot dient gezegd dat de schrijfstijl van Bart Stouten er gaandeweg op vooruitgaat. Voorbij de helft moet de dromerige ondertoon met maanlicht onderdoen voor een wakker tempo met volop zon. Het bevordert de nieuwsgierigheid van de lezer en roept de zin op om zowel Beckett als Proust weer uit de kast te halen.

 

Deel dit met je vrienden: