Op kroegentocht met Walter van den Broeck

‘Waar zijn de zinken munten met gat in het midden gebleven? Waar de tabaksdozen met de beeltenis van de koning? Waar de zondagse kerkgang, die maakte dat iedereen elkaar zag in de kerk en daarna in het café?’ Walter van den Broeck, die op zondag 28 maart tachtig jaar werd, schreef zichzelf een cadeau bij elkaar waarin hij het verdwenen caféleven in zijn Olen opnieuw tot leven wekt. Crossroads mag dan een Engelse titel zijn, zo Kempisch als Van den Broeck een hommage brengt aan café In de Kroon bakken ze ze niet meer.

Trossel stationscafés

Dat het boek is opgedragen aan de drie hoofdrolspelers Gust, Jen en Maria spreekt boekdelen. En dat hij daarbij obligaat verzekert dat ‘al wie in dit boek voorkomt een romanpersonage is, ikzelf inbegrepen’ laat inderdaad het tegendeel vermoeden. Toen vader Jos in 1940 plots verongelukte, moest moeder Irma het Olense café In de Kroon op haar eentje beredderen. Het is te zeggen: haar drie kinderen – en dan vooral caféhoudster en mannenmagneet Jen – kregen het verbod om te trouwen want, aldus mama Irma, ‘trouwen is iets voor klanten, wij zijn er om hen te bedienen’. Van den Broeck vertelt in vogelvlucht con gusto hoe het café aan de bareel in Achter-Olen sindsdien veranderde.

In deze kleine cafégeschiedenis spiegelt Van den Broeck op zijn beproefde burleske wijze de grote geschiedenis die ondertussen het buurtleven van weleer deed leeg lopen: ‘De schijnbare verlatenheid van de cité heeft niets met stormweer te maken, maar alles met elektronica. Men gaat niet langer naar buiten om te zien of het er nog is. Men vergewist zich ervan door binnen naar schermen te kijken om te zien of het er nog is.’ De Kempen werden inderdaad laat opgestoten in de vaart der volkeren, maar of dat dan zo’n goede zaak was, is na het lezen van deze vintage Van den Broeck verre van zeker. De nostalgie naar het ‘trossel’ stationscafé dat destijds aan de overweg floreerde, spat immers van de bladzijden.

Van den Broeck grossiert in Crossroads in pittige anekdotes over Gust, Jen en Maria. Als jongetje van nog geen tien geraakte de verteller gefascineerd door de fratsen van Gust die met een tuba rondliep waarop hij zogezegd kon spelen, maar die vooral diende om de aandacht te trekken voor zijn publieke café-optredens. Gust vertolkte dan Duitse schlagers, maar kieperde even goed met wijd open mond pint na pint naar binnen met de handen op de rug gebonden. Hilarisch is het optreden in de hoogmis waar hij in beschonken toestand het gezemel van de koster-orgelist niet langer kan harden en dan maar zelf op het hoogzaal klimt om er het Wolgalied uit een Duitstalige operette ten beste te geven.

Wij ballonvaarders

De eerste keer dat Van den Broeck als broekje van nog geen tien het café betrad, wordt meesterlijk beschreven: ‘Bovendien hing boven de toog een enorm gewei van een waterbuffel die op zijn beurt klanten die een uitgelaten entree maakten al op voorhand tot kalmte aanmaande.’ De grotemensenwereld van het café krijgt in de tienerogen van de verteller een exotische glans waar hij zich aan vergaapt, en de lezer met hem. In sneltreinvaart dist Van den Broeck de ene na de andere hilarische scène op als waren we ballonvaarders die over het landschap scheren en de mensen begluren die ondertussen zelf niet beseffen dat ze bekeken worden. Wat een wondere wereld was het daar In de Kroon, tot in de jaren 70 van de vorige eeuw de globalisering toesloeg.

Eerst nog voorzichtig met de invoering van de btw waardoor menig Olens buurtwinkeltje de fles op ging. Daarna open en bloot met de invoering van de euro in 2001 toen de twee ongetrouwde zussen Jen en Maria stopten met hun café en zich terugtrokken op de bovenverdieping achter gesloten gordijnen. In het tweede deel van deze volkse vertelling probeert Van den Broeck door de gordijnen te turen en laat hij beide contactschuw geworden zussen hun klein en groot (on)geluk beleven tot er een abrupt einde komt: ‘Maar was de ziekte definitief overwonnen? (…) Gelukkig dat de zusjes dat allemaal niet meer moeten meemaken.’ Sluit het gordijn.

Liefdesverklaring aan de roots

Crossroads is geen grote Van den Broeck, zoals Het beleg van Laken dat was. Het is een mooie en vooral ontroerende aanvulling op het iconische Brief aan Boudewijn. Toen stond het Olen van de cité centraal. In Crossroads is dat het Olen van het café. Van den Broecks liefdesverklaring aan zijn roots heeft iets van Tantes van Cyriel Buysse waarin drie ongetrouwde vrouwen meesterlijk werden geportretteerd.

Maar het gonst ook van de authentieke volkse dialogen, zoals dat in De geruchten van Hugo Claus het geval was. Zoals deze roman van Claus meestal wordt onderschat ten faveure van diens dan weer overschatte Het verdriet van België, zo loopt Crossroads misschien ook het risico om als een simpel achterafje te worden beschouwd. Ten onrechte dus. Lang geleden dat ik na het lezen van een boek zo smachtte naar de geneugtes van het cafébezoek in mijn Mechelse stamkroeg.

Brief aan Filip

Ondertussen wordt het stilaan tijd om de Kempische grootmeester een belangrijke literaire oeuvreprijs te gunnen voor het te laat is. Geen kwaad woord over Astrid Roemer die in oktober ten paleize de 23ste grote Prijs der Nederlandse Letteren uit handen van koning Filip in ontvangst mag nemen. Maar het is niet fair tegenover Vlaamse schrijvers, zoals Van den Broeck, streekgenoot Leo Pleysier of Lieve Joris, dat ze keer op keer worden overgeslagen in dit prijzencircus. Sinds Paul de Wispelaere in 1998 deze driejaarlijkse meest prestigieuze literaire Nederlandstalige onderscheiding scoorde, kreeg geen enkele Vlaamse auteur – buiten dichter Leonard Nolens dan in 2012 – de lauweren.

Pittig detail: De Wispelaere was de laatste Vlaamse schrijver die van het beurtrolsysteem genoot en daardoor ook allicht in de prijzen viel. Sinds de eerste Prijs in 1956 naar Herman Teirlinck ging, was het immers de gewoonte om de Nederlandse vorst een Vlaamse schrijver de prijs te laten gunnen, terwijl drie jaar later de Belgische koning een Nederlands auteur gelukkig maakte.

Afijn, dan maar een Boon, de nieuwe Vlaamse literatuurprijs, straks voor Van den Broeck? Of wachten tot 2027 wanneer Filip weer aan de beurt is? Die kan Walter dan laten influisteren om in zijn dankwoord misschien ook eens een brief aan hem te improviseren.

Deel dit met je vrienden: