Hoe ‘fout’ waren Filip De Pillecyn en Hugo Claus? Wacht tot 2045

Het is een open informatiemaatschappij onwaardig: vijfenzeventig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog blijven de archieven over repressie en zuivering — zeg maar over collaboratie tijdens WO II — nog altijd achter slot en grendel. Ondanks pionierswerk van Luc Huyse en Koen Aerts is het grotendeels gissen naar de details uit de 405.067 collaboratiedossiers die in de catacomben van het Brusselse Archief van het Militair Gerechtshof sluimeren. En die pas honderd jaar na datum — vanaf 2045 dus — vrij kunnen worden geraadpleegd.

Steeds dezelfde bronnen

Misschien is het ook daarom dat de Mechelse historicus Herwig De Lannoy in het nieuwste jaarboek over Filip De Pillecyn (1891-1962) zo hard is in zijn verdict over de historiek van de collaboratie tot nu toe. Het weinige studiewerk dat er nu is, zo De Lannoy, keert altijd weer naar dezelfde beperkte bronnen terug. ‘Het beste overzicht is nog steeds het achtste deel uit de reeks België in de Tweede Wereldoorlog uit 1990 dat een product is van de gekende BRT-televisiereeks.’ Hulde dus aan het werk van Rudi Van Doorslaer en Maurice De Wilde, zeg maar. Maar veel werk aan de winkel blijkbaar voor onze huidige historici.

Ondertussen sloeg De Lannoy zelf de hand aan de ploeg. Hij putte daarbij uit het onontgonnen privé-archief van de Mechelse Vlaamsgezinde christendemocratische politicus Cyriel Neefs (1849-1976). In het lijvige openingsartikel uit het nieuwste jaarboek van het De Pillecyngenootschap reconstrueert hij de Mechelse jaren tussen 1933 en 1944 van De Pillecyn, prins van de Vlaamse letteren.

Schrijver-journalist-activist

De Pillecyn verkaste als 42-jarige schrijver-journalist in 1933 vanuit een atheneum in Malmédy naar het atheneum Pitzemburg in Mechelen. Daar was schrijver Maurits Sabbe ooit nog leraar geweest. De Pillecyn zou er zich tot mentor van Piet Van Aken, auteur van onder andere Klinkaart en De blinde spiegel, ontpoppen. De Pillecyn schreef met Monsieur Hawarden uit 1935 de eerste roman in de Nederlandstalige letteren over een transgender. Hij was ook al sinds de Eerste Wereldoorlog een belangrijke speler in de Vlaamse intelligentsia. Hij was de eerste journalist van De Standaard, hoofdredacteur van De Tijd én gepromoveerd literatuurhistoricus met een dissertatie over priester-schrijver Hugo Verriest. Deze pleitbezorger van Guido Gezelle was voor De Pillecyn de grote inspiratiebron om zich ook als politiek activist zonder partijlidkaart te engageren in het rijke Vlaamse cultuurleven van het interbellum.

In Mechelen werd hij zo al gauw de spil van allerlei culturele flamingantische organisaties. Met Duitse goedkeuring en ondersteuning organiseerde hij er jaarlijks de ‘Nationale Kultuurdagen’, waar De Lannoy in zijn artikel op focust. Wat blijkt? Deze cultureel-literaire hoogmis bestond al voor de Duitse bezetting van België. Ze kreeg wel meer armslag dankzij de Duitse bezetter en schreef zich duidelijk in de nationaalsocialistische cultuurpolitiek in. De Lannoy vertelt, ook met foto’s, hoe in 1943 naast Ernest Claes onder anderen Cyriel Verschaeve te gast was. ‘Tijdens de academische zitting ging Cyriel Verschaeve heftig tekeer in een geruchtmakende “lijkrede van de Vlaamse kultuur”, met een vlijmscherpe uitval naar de bolsjewieken in Rusland en de Joden.’

Vijf jaar tegen de muur

Er kan dus geen twijfel over bestaan dat De Pillecyn inderdaad boter op het hoofd had. En dat hij als literair organisator hand- en spandiensten verleende aan het naziregime. Maar De Lannoy stipt eveneens aan dat De Pillecyn altijd een eerder apolitieke, volkse en Vlaamse koers voer. Hij zou amper twee jaar lid zijn geweest van het VNV (Vlaams Nationaal Verbond) en DeVlag (Duits-Vlaamse Arbeidsgemeenschap). Die verliet hij allebei in 1942 omdat hun banden met de SS te innig werden. In 1944 werd De Pillecyn gearresteerd. Hij zou pas vijf jaar later voorwaardelijk worden vrijgelaten uit de gevangenis van Sint-Gillis. Daar hield hij onder andere zijn gevangenisdagboek Tegen de muur bij en voltooide Mensen achter de dijk, zijn meest beklijvende roman.

Dan hadden vader en moeder Claus meer geluk toen ze allebei ‘slechts’ uit hun burgerrechten werden ontzet. Vader-drukker Jozef fungeerde tijdens de oorlog als ‘blokleider’ van het VNV in Kortrijk. Mama Germaine was secretaresse en verpleegster voor de Kortrijkse afdeling van de Duitse vliegtuigfabrikant ERLA geweest. Zoon Hugo was minderjarig tijdens de oorlog en paradeerde als vijftienjarig lid van het NSJV — de nationaalsocialistische jeugdafdeling van het VNV — wel eens rond in uniform, voorzien van mes en granaat (?). Macho Claus had trouwens iets met messen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit zijn prachtige novelle Het mes (1958) over een 13-jarige jongen die zijn onschuld verliest.

Dossier Hugo Claus

Hugo Claus heeft dat lidmaatschap nooit verzwegen. Hij zou trouwens in de onmiddellijke naoorlogse periode nog mee werken aan rechtse, Vlaams-nationalistische bladen, zoals Branding en Ons Verbond. Bijna was zijn romandebuut De Metsiers ook bij een excentrieke flamingantische uitgever verschenen. Maar door een samenloop van omstandigheden belandde hij toch in het voornamelijk vrijzinnige fonds van Angèle Manteau. Tegen 1951 ontpopte Claus zich helemaal tot enfant terrible die in de kringen van het Nieuw Vlaams Tijdschrift Frans begon te spreken om te provoceren.

Toen de Antwerpse literatuurprof Kevin Absillis in 2009 met Vechten tegen de bierkaai een boek over de lange uitgeverscarrière van Angèle Manteau uitbracht, kwam aan het licht dat er niet alleen over Jozef maar ook over Hugo Claus een gerechtelijk dossier was aangelegd door het Krijgsauditoraat.

Dossier nr. 27082 Hugo Claus, zo Absillis, is vrij summier maar bestaat toch uit verschillende documenten met een twintigtal uittreksels over het buurtonderzoek dat toen naar de familie Claus is gevoerd, inclusief getuigen à charge en à décharge. Het bevat onder andere een brief van de 15-jarige Hugo die als de oudste van vier broers smeekt om vader Jozef niet langer in voorhechtenis te houden, omdat moeder Germaine ziek was. Buren vertellen er ook dat ze de tiener Hugo in nazi-uniform hebben gezien. En er is zelfs sprake van een granaat onder de koppelriem. Het dossier tegen Claus junior werd vervolgens geseponeerd. Beide ouders werden, zoals al aangegeven, voor enige tijd uit hun burgerrechten ontzet.

Sesam, open u

Absillis gaf toen aan dat de procedure om toegang te krijgen tot het Brusselse Archief van het Militair Gerechtshof loodzwaar is. Ze neemt al vlug enkele maanden tot een jaar in beslag. Dat is nog steeds zo. Gemotiveerde aanvragen van onderzoekers maken in de regel veel meer kans dan vragen van familieleden om het dossier te mogen inkijken. Nieuwssite Apache becijferde dat minstens een kwart van de familieleden bot ving bij zijn aanvraag.

Wordt het niet hoog tijd om deze oorlogsarchieven eindelijk open te stellen voor iedereen? Nu de rechtstreeks betrokkenen op een enkele uitzondering na niet meer leven? Voor burgerlijke rechtszaken volstaat dertig jaar, leert de site van het rijksarchief, om documenten te mogen raadplegen. Waarom werd en wordt voor de vrije raadpleging van dossiers, zoals in het geval van de collaboratie en de nasleep ervan, een moratorium van zeggen en schrijven honderd (100!) jaar opgelegd? Wie als slagzin ‘ons collectief geheugen’ hanteert, zou beter moeten weten. Of lijdt zelf aan selectief geheugenverlies.

Sesam, open u! Dan pas zal het verhaal van de collaboratie, repressie en zuivering met alle plussen en minnen écht kunnen worden verteld.

0
    0
    Jouw winkelmand
    Jouw winkelmand is leegTerug naar de winkel

    Bedankt!

    Je link is opgenomen. Hartelijk dank. We bekijken en plaatsen die zo snel mogelijk. Klik ‘Nog een link ingeven’ om een nieuwe link in te geven of klik op Terug om terug te gaan naar de vorige pagina.