Herman de Coninck had gelijk

Discussies over de overbodigheid van spelling of grammatica, over het teveel aan aspirant-auteurs die het schrijversambacht niet meer beheersen, plus het gebrek aan échte geschoolde lezers. Meer dan ooit staat de schriftcultuur — van degelijk literatuuronderwijs tot schrijfonderricht — onder druk, zo lijkt het wel. De digitalisering en globalisering hebben de ooit vanzelfsprekende geletterdheid blijkbaar meer en meer ondergesneeuwd.

Bewustzijn van een gehypnotiseerde

Herman de Coninck bond een kleine veertig jaar geleden al de kat de bel aan. Hij waarschuwde toen voor de nefaste invloed van de oprukkende beeldcultuur op het schrijf- en taalniveau van Jan Modaal, zeker als die jong was. Illustratief voor zijn latent cultuurpessimisme was toen een brief aan leerlingen van de Mechelse leraar-schrijver Dirk Verbruggen uit december 1983. Die hadden hem hun bevindingen overgemaakt over de Conincks dichtbundel Met een klank van hobo.

De Coninck aan de scholieren: ‘Het doet me vooral veel plezier dat er in een tijd van overheersende beeldcultuur, waarin je maar op een toets moet drukken om tv-beelden op je af te zien komen, waar je op de duur ongeveer het bewustzijn van een gehypnotiseerde van krijgt, door jongeren nog moeite gedaan wordt om al wat in en tussen en onder woorden gezegd en gesuggereerd wordt, te begrijpen. De beeldcultuur heeft prachtige dingen voortgebracht, die ik niet graag zou missen, maar als je echt genuanceerd wil denken en mijmeren en argumenteren, kom je uiteindelijk bij het geschreven woord terecht, geloof ik.’

De Coninck stond toen zeker niet alleen met zijn waarschuwing voor de ‘hypnotiserende’ beeldcultuur. En voor de dreigende teloorgang van de nuanceringen van het ‘mijmerende en argumenterende’ geschreven woord. In Amerika had Allan Bloom het over ‘the closing of the American mind’. De oprukkende bekrompenheid van geest, zeg maar.

Sekte die overblijft

Meer bekend bij ons was misschien wel de tirade van Neil Postman tegen de commercialisering en vervlakking van de cultuur door de entertainmentindustrie van tv en pretparken. Die zouden de mensen zich te pletter laten amuseren tot de hersendood erop volgt. Piet Piryns, medestander van de Coninck, sprak van de verkleutering van de media. De conclusie van de Coninck in de zo-even geciteerde brief van hierboven vatte de vrees van schrijvers, intellectuelen en al wie de schriftcultuur genegen was treffend samen. ‘Soms vrees ik een beetje dat de bedienaren van dat woord (met kleine letter, toch maar) zullen uitsterven, tot er maar een hele kleine sekte van overblijft.’

Vandaag is die beeldcultuur alleen nog maar sterker geworden door de digitalisering ervan op wereldschaal. Tokkelend op de smartphone en via sociale media spreekt elk diertje zoals hij of zij gebekt is. Wie maalt er dan om hoofdletters, dt-fouten, of manke zinsconstructies? Emoji’s, memes en visuele stimuli moeten het persoonlijke verhaal des te aantrekkelijker maken. En hopelijk viraal doen verspreiden. Wie neemt er nog de moeite om een roman van kaft tot kaft te lezen en te bediscussiëren?

Oralisering van de schriftcultuur

Kunst- en literatuurkritiek in de media zijn een witte raaf geworden. Interviews en ‘pakkende’ reportages zijn wat de mensen willen horen. De oralisering van de traditionele schriftcultuur in taalonderwijs en in de letteren tout court neemt hand over hand toe. En dat hoeft per se geen slechte zaak te zijn. Dat is immers millennialang al zo geweest. Schrijven en lezen volgens de regels van de kunst was meestal een tijdverdrijf voor fijne luiden. Slechts kortstondig tijdens de burgerlijke hoogconjunctuur in de 19de en eerste helft van de 20ste eeuw heeft het de marsrichting op het culturele veld bepaald.

Daar komt het imperatief vandaan van de traditionele Bildung of algemene ontwikkeling dankzij een ver doorgedreven schriftcultuur in maatschappij en onderwijs. Het is geen toeval dat de realistische ontwikkelingsroman in de 19de eeuw (Jane Austen, Gustave Flaubert, Honoré de Balzac, Emile Zola, Goethe, Dostojevski, Tolstoj) en de modernistische totaalvertelling in de eerste helft van de 20ste (Thomas Mann, Alfred Döblin, Robert Musil, James Joyce, Vladimir Nabokov) de schone letteren als nooit tevoren op het culturele voorplan brachten.

De schriftroman die gedurende die 150 jaar een canonieke status kreeg, bestond toen amper enkele eeuwen. Het is pas Cervantes die met zijn Don Quichote in 1605-1615 de eerste roman in geschrifte pleegde. Dat wil zeggen: dat het verhaal niet eerst mondeling werd verteld en daarna pas bij wijze van geheugensteun werd opgeschreven. Cervantes stak de draak met de middeleeuwse ridderroman. Hij hoopte met zijn satirisch speels verhaal zoveel mogelijk individuele lezers te bereiken.

Codificering van de schrijftaal

Zolang er mensen zijn, grosso modo toch al zo’n dikke twee miljoen jaar, worden verhalen verteld. Het is pas sinds de uitvinding van het schrift ongeveer vijfduizend jaar geleden dat die vertellingen ook achteraf werden opgeschreven. Het bekendste voorbeeld zijn natuurlijk de Trojaanse oorlogsverhalen van Homerus. Die werden door feestende Griekse overwinnaars en hun nageslacht letterlijk aan tafel, besprenkeld door de nodige wijn, ten beste gebracht. Ook onze Vlaamse middeleeuwse literatuur was oraal van inslag. Ook zij werd pas achteraf sporadisch in geschrifte genoteerd om andere vertellers van explosieve verhaalstof te voorzien.

Het zijn de grote Europese natiestaten die vanaf de 17de eeuw via hun respectievelijke literaire academies het gebruik van de geschreven taal en van de schone letteren in grammatica’s, spellingvoorschriften en literaire handleidingen of poëtica’s gingen vastleggen. Vermits die natievorming in Vlaanderen niet van een leien dakje liep én loopt, hinkten we achterop in de codificering van de schrijftaal. De Vlaamse literatuur en spellingshandboeken speelden dan ook leentjebuur bij de Nederlandse grote buur. Kortom, het orale karakter van de Vlaamse schriftcultuur is allesoverheersend gebleven. En dit tot de inhaalbeweging van onze onderwijs- en letterencultuur vanaf grosso modo de jaren 1930. Toen werden hier de eerste echte schriftromans die naam waardig geschreven door Herman Teirlinck, Maurice Gilliams, Maurice Roelants & co.

De dialectisch angehauchte poëzie van Guido Gezelle en de con brio gebrachte vertellingen van Stijn Streuvels, Felix Timmermans en Gerard Walschap werden in de volkstaal (op)geschreven. Er werd hier al op gewezen dat Willem Elsschot het commercieel genie had om zich te laten begeleiden door een taalvaste Nederlandse gastredactrice. Die perste zijn sappige Antwerpse anekdotes in een uitgepuurd Nederlands schriftidioom. Daardoor is hij tot vandaag quasi de enige Vlaamse romanauteur die ook in Nederland nog gelezen wordt.

Hogepriesters van het geschreven woord

Moraal van dit verhaal: mensen hebben altijd verhalen verteld en zullen dat blijven doen. Maar de vorm waarin dit gebeurt, verandert wel eens. Vandaag zijn televisie, videogames en sociale media meer en meer de moedervorm van een orale belevingscultuur geworden. Wil dat zeggen dat de hogepriesters van het geschreven woord hebben afgedaan? Toch niet, want de retorische finesses van die schrifttraditie blijven belangrijk voor een democratische tegensprekelijke beschaving. Maar de dominante positie van het geschreven woord in de burgerlijke cultuur van de afgelopen twee eeuwen komt allicht niet terug. Ja, Herman de Coninck had gelijk.

Deel dit met je vrienden: