De rode oogkleppen van links

Hervé Hasquin is misschien niet zo gekend in Vlaanderen, maar in Franstalig België en dan vooral in Brussel heeft hij geweldig veel aanzien. Hij was zijn professionele leven lang actief als hoogleraar geschiedenis aan de ULB, waarvan hij ook rector en voorzitter van de raad van bestuur was. Daarnaast had hij ook een lange politieke loopbaan bij de Franstalige liberalen. Die bracht hem eerst in verschillende gemeenteraden en het parlement tot hij de regering van de Franse Gemeenschap leidde vanaf 1999. Niet onbelangrijk is zijn eigen familiaal verleden: hij is geboren in Charleroi, waarnaar zijn grootmoeder emigreerde vanuit het West-Vlaamse Oudenburg. Hij is ook notoir vrijmetselaar.

Waalse collaboratie met Vichy

De lijst van zijn publicaties is bepaald indrukwekkend. Hij maakte onder meer naam met een werk over de banden tussen Belgische separatisten die met de collaborerende Franse Vichy-regering onderhandelden over de aansluiting van Wallonië bij Frankrijk. Dat was moedig werk, omdat het heel lang ongezien was om het te hebben over collaboratie aan de Franstalige kant. Als rigide historicus stoorde Hasquin zich niet aan die omerta en onderzocht hij de lang verborgen kant van wallingant Georges Thone, die later het Rassemblement Wallon mee zou oprichten.

Hasquin was ook nooit verlegen om sterke uitspraken te doen. Al in 1990 vreesde hij dat Brussel een tolerantiegrens had overschreden op vlak van het aantal inwijkelingen die uit een heel andere cultuur afkomstig waren. Dergelijke uitspraken leverden hem linkse hoon op, maar dat belette Hasquin niet verder zijn standpunten trouw te blijven.

Afrekening met linkse moraalridders

Zijn nieuw boek Oeillères rouges (rode oogkleppen) is een scherpe afrekening met vooral Franse linkse moraalridders die hun ogen dichtknepen voor de wantoestanden en de mistoestanden van socialistische experimenten. Als uitgangspunt citeert hij de Franse filosoof Michel Winock die geen onderscheid wil maken tussen het doel en de middelen. ‘Elk middel dat niet overeenstemt met het nagestreefde doel, moet afgewezen worden in de naam van de meest elementaire politieke moraal.’

Die filosofie staat volledig haaks op de mantra dat het doel de middelen heiligt of dat je geen omelet kan maken’zonder eieren te breken. Gekende excuses van linkse intellectuelen om weg te kijken van grove mankementen van socialistische experimenten. Een gevaarlijk uitgangspunt waarvoor de grote Franse denker Raymond Aron waarschuwde: ‘Het sublieme einde dat de gruwelijke middelen verantwoordt’.

Hasquin zegt dat hij de motivatie voor dit boek kreeg toen hij hoorde dat de naar Frankrijk gevluchte Rode Brigadist Cesare Battisti na meer dan dertig jaar een viervoudige moord bekende en toegaf nooit het slachtoffer te zijn geweest van enig onrecht van de kant van justitie en overheid. Battisti was uitgegroeid tot een linkse martelaar, die door president Mitterrand in zijn Franse verbanning werd gesteund. President Hollande vereerde Battisti later met een bezoek, toen hij in de gevangenis zat te wachten op zijn uitlevering.

Primaat van de ideologie

De auteur ziet in die linkse steun aan een viervoudige moordenaar een goed voorbeeld van wat hij ‘het primaat van de ideologie’ noemt, waarbij universele waarden ondergeschikt zijn aan politieke opvattingen. Dit leidt onvermijdelijk tot selectieve verontwaardiging, waarbij kwaadaardige ‘rechtse’ regimes van Hitler tot Pinochet worden aangevallen, maar voor ‘linkse’ dictaturen van Stalin, Mao en Pol Pot in intellectuele kringen veel begrip bestond en zelfs nu nog bestaat. Hasquin schrijft scherp dat het ‘ethische doel’ van de linkse schrikbewinden voldoende was ‘om op negationistische wijze de waarheid te ontkennen.’

Zo was het in Frankrijk zowat onmogelijk om ook maar enige kritiek te formuleren op de methoden van de Russische revolutionairen en de Sovjetstaat. Onthullende boeken over strafkampen of over de moordende geplande hongersnood in Oekraïne werden niet alleen genegeerd, maar hun auteurs kregen steevast het verwijt contrarevolutionairen te zijn. Toen André Gide, die de Nobelprijs literatuur zou krijgen in 1947, een kritisch verslag schreef over wat hij gezien had in de USSR, werd hij als ‘fascist’ gecatalogeerd door L’Humanité, de krant van de Franse communistische partij (PCF). Die verdroeg niet dat Gide de PCF verweet boudweg te liegen over de Sovjetunie. Ook de Belgische socialist Emile Vandervelde viel Gide aan met een argument dat nog vaak te horen zou zijn uit linkse hoek: dat de Franse auteur met zijn kritiek ‘wapens had gegeven aan de reactionairen’.

De Sovjet-utopie

Bewust zwijgen over mistoestanden in eigen kamp om de tegenstanders niet te versterken, het is een strategie die voor de linkse geloofwaardigheid desastreuze gevolgen zou hebben. De Franse communisten verdedigden de onverdedigbare Processen van Moscou als een strijd tegen de ‘vijanden van het socialisme’. Hasquin ziet hierin ook de invloed van de Franse mythologisering van hun eigen Revolutie, waarbij een radicale linkerzijde in de bloedige guillotineterreur van Robespierre een te volgen voorbeeld zag tegen politieke tegenstanders.

De tijd van het opkomende fascisme maakte dat elke aanval op Stalin gezien werd als steun aan Hitler en Mussolini. In Frankrijk bleef ook de rechtzijde om dezelfde reden stom over de wandaden van het stalinisme. De Gaulle wou de antifascistische alliantie niet in gevaar brengen. En zelfs het cultureel icoon André Malraux zweeg om niet in de kaart van de vijand te spelen. Na de oorlog zou Stalin als lid van de geallieerden volop profiteren van de immense opofferingen van het Rode Leger en tot aan zijn dood zowat onaantastbaar zijn bij de linkse intelligentsia.

Aragon en Sartre, blinde herauten van het stalinisme

Hasquin is ongenadig voor twee grote Franse schrijvers, Louis Aragon en Jean-Paul Sartre, die zich beiden als blinde herauten van het stalinisme lieten gebruiken door de Russische propaganda. Aragon schreef poëtische lofzangen op de geheime politie van Stalin en verheerlijkte de gevangenenkampen voor politieke tegenstanders als oorden van ‘heropvoeding van mensen door mensen.’ Sartre was te intelligent om de Russische realiteit verkeerd in te schatten, en dat maakt zijn verantwoordelijkheid net nog groter dan die van Aragon. Sartre vertrok vanuit zijn ideologische overtuiging dat het proletariaat behoefte heeft aan een utopie, aan een geloof in een betere, socialistische wereld. Vandaar dat hij bewust de ogen sloot voor wat verkeerd ging in de Sovjet-Unie, met de gevleugelde woorden: ‘Il ne faut pas désespérer Billancourt’ (de grote autofabriek bij Parijs). Sartres bewuste zelfverblinding was ingegeven door zijn geloof dat men arbeiders niet tot wanhoop mag drijven omdat het socialistische ideaal niet zo fraai zou zijn. Sartre, die de Nobelprijs literatuur kreeg maar weigerde, schreef zelfs een toneelstuk met als thema de noodzaak om de illusie van een socialistisch paradijs intact te houden en arbeiders te behoeden voor de indoctrinatie dat het kapitalisme toch zo slecht niet is.

Hij liet zich vaak verleiden tot groteske uitspraken, waardoor men zich zovele jaren later toch afvraagt hoe de grote filosoof en denker die hij was die heeft kunnen doen. Zoals toen hij zonder nuance stelde dat ‘verkiezingen een valstrik voor dommekloten zijn’ en hij ‘de USSR verkoos boven de dictatuur van De Gaulle.’ Merleau-Ponty ging verder op de lijn van zijn vriend Sartre en verdedigde de stalinistische zuiveringen. Elke vorm van antisovjetisme was volgens hem ingegeven door een primair fascisme. Hasquin wijst er ook op dat het blinde vertrouwen in de USSR mede ingegeven was door de typisch Franse afkeer van alles wat met Amerika te maken had.

Orwell

Het werk van de Engelse auteur Georges Orwell, die kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn meesterlijke roman 1984 uitbracht als een aanklacht tegen autoritaire systemen, werd in Frankrijk op weinig enthousiasme onthaald. Dat hoeft niet te verbazen, want Orwells roman was duidelijk gebaseerd op de USSR. Hij verweet links dat het ‘antifascist wilde zijn zonder antitotalitair te zijn’. Voor hem was de echte tegenstelling niet tussen conservatieven en revolutionairen, maar tussen autoritairen en libertairen.

Maar zelfs na de dood van Stalin, toen zijn opvolger Kroetsjow in een geheim rapport de fouten van het vorige regime blootlegde, veranderde de Franse KP niet van mening. Sartre wel, maar hij verviel toch in zijn oude kwalen toen hij stelde dat de arbeidersmassa’s onvoldoende waren voorbereid op een kritische benadering van Stalin en het waarheidsrapport hen zou neerdrukken. In de jaren 70 zou hij de Russische dissident Solzjenitsyn nog ‘een schadelijk element’ noemen.

Mao en de Culturele revolutie

Hasquin toont zich pessimist. Volgens hem zorgen onweerlegbare bewijzen en getuigenissen over de fouten van een gedroomd systeem ervoor dat overtuigde aanhangers weliswaar hun geloof erin verliezen, maar dat dit hen niet belet om dezelfde fouten te herhalen en gewoon over te stappen naar een andere utopie. Dat gebeurde met de linkse intelligentsia die in de jaren 60 na de Russische desillusie Cuba, China en zelfs het Cambodja van de Rode Khmer begon te verheerlijken.

Hasquin somt een lange lijst op van intellectuelen die zonder enige kritische zin in de ‘culturele revolutie’ van Mao geloofden, ook na de bloedige repressie van de ‘Laat Honderd Bloemen Bloeien’-campagne in 1957 en de totale mislukking van de ‘Grote Sprong Voorwaarts’ in 1960 die aan miljoenen Chinezen het leven kostte. Toen de Belgische sinoloog Simon Leys met Ombres Chinoises de waarde aard van het maoïstisch regime onthulde, werd hij als een charlatan beschouwd. Le Monde weigerde zelfs artikels van Leys te publiceren.

Rode Khmers

Het immense bloedbad van de Rode Khmers werd lang verzwegen in Frankrijk. Toen de eerste getuigenissen over de moord op twee miljoen burgers opdoken, vonden die geen gehoor bij links. Le Monde had het kort ervoor nog gehad over het ‘revolutionair enthousiasme’ waarmee een nieuwe maatschappij groeide in Cambodja. Voor links maakten de Amerikaanse oorlogsmisdaden in Indochina het onmogelijk om de slachtoffers van het imperialisme van enige kwaadaardigheid te beschuldigen.

Libération noemde de eerste getuigenissen over de Killing Fields ‘grootschalige intoxicatie’. Le Monde gaf in 1976 ootmoedig toe dat ze zich vergist had en ook Libération draaide bij. Maar de communistische L’Humanité hield nog een vol jaar vast aan de officiële versie van de Cambodjaanse dictator Pol Pot.

Tiersmondisme

Volgens Hasquin hebben de linkse intellectuelen na de val van de utopische regimes hun engagement vanaf de jaren 1980 verplaatst naar het zogenaamde ‘tiersmondisme’, een nieuw ongenuanceerd geloof dat erop neer komt dat alle miserie in de derde wereld het gevolg is van het westers imperialisme, dat de westerse rijkdom er alleen gekomen is door de kolonialistische exploitatie en dat ook de hongersnood en armoede veroorzaakt zijn door het perfide Westen. Uiteindelijk zouden corrupte Afrikaanse regimes en dictaturen ervoor zorgen dat ook links zich zal afkeren van het tiersmondisme.

In 1983 brengt publicist Pascal Bruckner de genadeslag toe met Le Sanglot de l’homme blanc over het aan de westerlingen opgedrongen schuldgevoel en zelfhaat. Bruckner klaagt de rol van plaatselijke leiders aan en gelooft dat enkel responsabilisering verandering kan brengen. Het boek blijft volgens Hasquin zeer actueel. Maar bij links heeft ondertussen een nieuw geloof opgang gemaakt: het altermondialisme. Hij had er de recente obsessie van het woke denken en dekolonisering aan toe kunnen voegen.

Oogkleppen niet afgelegd

In zijn besluit wijst Hasquin op de moeilijkheid die linkse intellectuelen hadden en hebben om een duidelijke parallel te zien tussen het communisme en het nazisme. Het is gevaarlijk om te geloven dat er goede en slechte moordenaars zijn. En dat er een verschil zou zijn tussen iemand te doden omwille van zijn ras of hem te executeren omwille van zijn economische klasse. Maar hoe sterk de invloed blijft van stalinisme en maoïsme, blijkt uit de stelling van een oude linkse ideoloog, Alain Badiou, die in Frankrijk nog veel media-aandacht krijgt.

Hij is er nog steeds van overtuigd dat communistische regimes niet beoordeeld mogen worden met criteria van economische efficiëntie en openbare vrijheden, omdat die beoordelingen eigen zijn aan het westerse kapitalisme. Uitspraken zoals deze tonen aan dat niet alle denkers de rode oogkleppen hebben afgelegd en dat het boek van Hervé Hasquin een sterke waarschuwing is tegen elke totalitaire verleiding.

0
    0
    Jouw winkelmand
    Jouw winkelmand is leegTerug naar de winkel

    Bedankt!

    Je link is opgenomen. Hartelijk dank. We bekijken en plaatsen die zo snel mogelijk. Klik ‘Nog een link ingeven’ om een nieuwe link in te geven of klik op Terug om terug te gaan naar de vorige pagina.