Censuur in de strip

Tentoonstellingen of publicaties over een bepaald thema zijn dikwijls oervervelend. ‘De hond in de kunst’ of ‘Eten in films’ zijn slechts enkele barslechte voorbeelden.  Met Duizend Bommen en Castraten schreef éminence grise Jan Smet een boek dat dit risico bewust meermaals nam. In een aantal hoofdstukken illustreert en bevestigt hij bovenstaande generalisatie grondig, maar de meeste hoofdstukken zijn steengoede overzichten van de vormen van censuur die de stripkunst of stripcultuur door de jaren meemaakte.

Censuur en zelfcensuur

Censuur in stripverhalen was en is een feit. De lezer moet echter wel weten dat censuur en zelfcensuur niet hetzelfde zijn en dat is toch een beetje een mankement in dit overigens uitmuntende boek. Veel aangehaalde censuur is zelfcensuur of preventieve censuur door de uitgever van de betreffende stripverhalen. Uitgeverijen zijn commerciële bedrijven en dus speelde zelfcensuur al lang voor de term ‘politieke correctheid’ bekend raakte. Ook de doelgroep van vaak minderjarigen speelde en speelt uiteraard een rol.

De boeiendste delen in het boek gaan vooral over de beruchte Franse censuur die het beeld en zelfs de scenario’s van veel Belgische stripverhalen bij uitgeverij Dupuis of uitgeverij Lombard bepaalde. Voor stripliefhebbers is de manie van Charles Dupuis met de Franse censuur geen groot nieuws en het onderwerp kwam reeds meermaals aan bod in teksten bij integrale uitgaven van stripreeksen of in de vakpers zoals Stripgids, Stripschrift enzovoort.

Toch is het lovenswaardig dat Smet in zijn boek een overzicht gaf en zelfs een heel exhaustief overzicht. Dit boek is niet bij elkaar gegoogled, hier is een kenner en liefhebber aan het woord, die zijn guilty pleasures soms ontbloot. De rijkdom aan bronnen van vooral oude bijna onvindbare interviews loont zeker de moeite voor de jongere generatie stripexegeten die enkel online bronnen kennen.

Amerikaanse en anti-Amerikaanse hetze

De Amerikaanse toestanden zoals die ook in de filmindustrie golden zullen de Vlaamse lezers wellicht geheel onbekend zijn en Smet vertelt deze bevattelijk en geeft zeer goed de context. Vooral zijn bijdrage over de invloed van krankzinnige Amerikaanse moraliserende auteurs met een irrationele haat jegens comics en hoe die hetzes ondanks de hemelsbrede verschillen tussen comics en stripverhalen ook bij ons gevolg kregen zal vele lezers de ogen openen.

Nu was die haat jegens mannekensbladen niets nieuws in Europa, zoals Smet aantoont met zijn stuk over Abbé Bethléem in Frankrijk. Wat de lezer wellicht niet wist is dat die Amerikaanse pseudowetenschappelijke publicaties en propaganda tot dezelfde onzin leidden in Europa. Iedereen van een bepaalde leeftijd kent wel de verhalen dat stripverhalen schadelijk zouden zijn en bovendien slecht voor de schoolresultaten.

Dezelfde onzin circuleert ondertussen ook al decennia over computer games. Die ‘nefaste invloed’ kon echter het succes van de stripcultuur niet remmen. Gelukkig maar, toch toont veel striperfgoed zoals Smet schrijft nu nog de sporen van overijverige censuur, zelfcensuur en commerciële politieke correctheid. Naast het Amerikaanse dédain jegens strips, speelde ook een anti-Amerikaanse trend in vooral Frankrijk een rol. Toch valt veel van de nu bespottelijk lijkende censuur en drastische ingrepen door uitgevers of verdelers vooral als jeugdbescherming te beschouwen. Nooit stelde iemand zich vragen bij dergelijke maatregelen bij de televisie, omdat tv toen werd gemaakt door staatsomroepen.

O tempora, o mores

In zijn drang om alle (vermeende) taboes te behandelen schiet Smet soms door. Niet elk taboe of elke fatsoensnorm is te linken aan censuur. Bovendien evolueren taboes naargelang het tijdsgewricht of de mores. Stripverhalen zijn daar geen uitzondering. De doelgroep van een strip blijft geen onbelangrijk detail. Naast de historische hoofdstukken zijn ook de hoofstukken over tabak, alcohol of vloeken zeer lezenswaardig. Ze zijn werkelijk subliem geïllustreerd en ontzettend goed gedocumenteerd. Hoewel de smalle en brede kolom tekst per pagina vlot wegleest, hadden kaderstukjes hier en daar toch beter geweest. De bijschriften bij de overvloed aan illustraties zijn steevast zeer sterk en informatief geschreven zodat dit boek ook voor de cursorische lezer boeiend blijft. Wat dat betreft is Duizend bommen en castraten een echt coffee table book.

Hier en daar duiken wat kleine foutjes op zoals over de sublieme strip Marc Jaguar van Maurice Tillieux, die in Nederlandse editie Paul Panter heette. Die storen echter minder dan de nogal vergoelijkende toon over plagiaat en zogenaamde pastiches. Blijkbaar doet Smet aan zelfcensuur als hij het heeft over slecht getekende porno die misbruik maakt van het œuvre van succesvolle stripauteurs. Het vergt toch geen moeite om ronduit te zeggen dat de meeste pornoversies of ‘pastiches’ van succesreeksen puur om het geld worden gemaakt en geen enkele artistieke verdienste kennen. Gelukkig doet Smet het verhaal van die notoire gevallen met Kuifje, Suske en Wiske, Lucky Luke of Astérix. Dat Edgar P. Jacobs of André Franquin dit met humor opvatten is geen vrijbrief voor piraterij.

Taboe à la carte

Erotiek en naakt in de (Europese) strips waren tot voor kort geen taboe meer en de geschiedenis van die evolutie is boeiend om te lezen. Ik kreeg trouwens de indruk dat Smet geen onderscheid maakt tussen esthetisch natuurlijk naakt, erotiek, seks en pornografie. Homoseksualiteit of en (mannelijke) geslachtsorganen als aparte hoofdstukken behandelen lijkt geen verstandige keuze. Het eerste onderwerp gaat bijna uitsluitend over Amerikaanse comics en het tweede over Amerikaanse underground comics en Japanse manga’s. Deze hoofdstukken voelen aan als het aftikken van een lijstje met taboes zonder al te veel eigen onderzoek. Waarschijnlijk staat op Wikipedia meer over deze onderwerpen.

Hoewel ondergetekende het boek zeer graag heeft gelezen, ontstond bij wijlen de ergerlijke indruk dat soms de encyclopedie werd overgeschreven. Jan Smet is een ijzersterke auteur met degelijke research en parate kennis in zijn stukken over de geschiedenis van de strip.  De geschiedenis van taboes is echter niet zijn sterke kant en daarom zoekt hij de fringe op en neemt hij illegale of underground comics als tweedehandsvoorbeelden. Een beetje eigen onderzoek in de voortreffelijke bibliotheek van het Belgisch Stripcentrum (voormalig Belgische Centrum voor het Beeldverhaal) of de talrijke academische artikels over stripverhalen en comics hadden hieraan kunnen verhelpen.

Nieuwe inzichten vallen niet te lezen. De sterkte zit in het overzichtelijke verhaal op basis van het rijke archief van de auteur. De analyse van de weekbladen Robbedoes en Kuifje bijvoorbeeld loont zeker de moeite. Dit is een boek dat elke stripfanaat uiteraard dient in huis te halen. Niet om kaft tot kaft te lezen. De vele herhalingen en de zwakke passages zouden te zeer ergeren. De lay-out helpt ook niet bepaald. Dit is een boek om in te cherrypicken, om te bladeren en aan de hand van beeldcitaten en illustraties te lezen.

Deel dit met je vrienden: